Hulp bij toegankelijkheid

Terug naar hoofdinhoud

Waar de brede stroom der Maas…

Door Ernest Gorissen, Stichting Erfgoed Stein.

De Maas, deze machtige rivier, talloze malen in woord en beeld beschreven en in vele toonaarden bezongen. Al eeuwenlang stroomt de Maas door ons landschap. De rivier bracht leven, werk en welvaart, maar liet soms ook haar kracht zien. 
Van generatie op generatie leven mensen van en met de Maas. De rivier gaf vruchtbare grond, bood kansen voor handel en scheepvaart en vormde een prachtig landschap.

Maar wanneer het water steeg, veranderde de Maas in een onvoorspelbare kracht.
Huizen, landbouwgrond, wegen en bedrijven kwamen onder water te staan.
Overstromingen brachten schade, verdriet en onzekerheid — maar ook saamhorigheid en veerkracht. Zo ook in 1925. 

Aan het eind van dat jaar zijn de weersomstandigheden uitzonderlijk zwaar. Vanaf halverwege november sneeuwt het regelmatig en vriest het flink. Op 5 december daalt de temperatuur tot -17 ºC. De dijken staan stijf bevroren in het winterlandschap.

Dan slaat het weer plotseling om: de temperatuur stijgt en het begint hevig te regenen. In combinatie met smeltwater stijgt het water van de Rijn en de Maas tot recordhoogte. Eind december klotst het water al tegen de kruin van de dijken.

Geen erkenning tot nationale ramp

Op oudejaarsochtend raast een zuidwestenwind met volle kracht tegen de kwetsbare dijken. 
De buurtschappen Meers, toen deel uitmakend van de gemeente Elsloo en Maasband, behorende tot de gemeente Stein, worden zwaar getroffen.
Minister-president Colijn weigert de overstroming als een nationale ramp te erkennen. Volgens hem zijn er geen slachtoffers gevallen en is het geen onverwachte gebeurtenis. Overstromingen in het Land van Maas en Waal komen nu eenmaal regelmatig voor. Voor zuinige Hendrik, die dan al demissionair is, telde dus het aantal dodelijke slachtoffers om het rampenfonds open te stellen.

Omdat de regering de ramp niet erkent, is overheidssteun niet beschikbaar. Slachtoffers zijn aangewezen op hulp van anderen. Koningin Wilhelmina en de paus schenken geld, en het Nederlandse volk zamelt massaal in. In het hele land ontstaan spontane acties. Mensen zamelen geld, kleding, meubels, keukengerei en voedsel in, van meel tot rookworsten. 

Nu er van rijkswege niets te verwachten valt, is de vraag hoe nu verder? Welke rol is er weggelegd voor de gemeente? Je zou verwachten dat er een vlammende Steins protest richting de rijksoverheid zou uitgaan over het niet oppakken van haar verantwoordelijkheid, niets van dit alles. Met geen woord wordt daarover gerept, noch in de collegevergaderingen, noch in de raadsvergaderingen. In het huidige tijdsgewricht zou dit ongetwijfeld anders zijn geweest.

Een kijkje in de notulen van de vergaderingen van het college van Burgemeester en Wethouders, Stein telde toen 2 wethouders, en de vergaderingen van de gemeenteraad, 7 leden tellende, over de aanpak van de gevolgen van de overstroming leert wel het volgende:

In de collegevergadering van 18 januari 1926 maakt Burgemeester F.P. Bruijsters in zijn nieuwjaarsgroet in enkele woorden duidelijk “dat het nieuwe jaar voor de gemeente niet te best inzet, hoofdzakelijk niet voor hen die van de overstroming hebben te verduren gehad.
Hij meent dat de vernieling der dijken zal moeten worden hersteld in het nieuwe jaar, in welken geest hij reeds een onderhoud had met den Heer Opzichter van den Provincialen Waterstaat, die van bevoegde zijde had vernomen dat uitzicht op provinciaal subsidie bestaat. In verband met bedoelde niet geringe kosten en den achteruitgang van een groot gedeelte der bevolking acht hij gewenscht dat de gemeente in 1926 hare uitgaven beperkt tot het aller noodzakelijkste en doet tenslotte een beroep op eendrachtige samenwerking op dat het der gemeente in 1926 wel moge gaan.”

Wethouder Janssen raadt bovendien samenwerking aan met Elsloo voor herstelling dijken.

In de raadsvergadering van 21 januari memoreert de burgemeester “dat de overstrooming der rivier de Maas veel schade heeft aangericht, niet alleen voor huizen, goederen en landerijen, maar ook wegens vernieling van dijken en wegen waarvoor de gemeente aansprakelijk is….Hij zegt dat ter voorkoming van herhaling van meerdere schade de dijken en wegen zodra mogelijk zullen moeten worden hersteld en geeft den Raad in overweging aan Burgemeester en Wethouders voor gemeld doel een blanco crediet toe te staan.”

Noch in de collegevergadering, noch in de raadsvergadering van 21 januari getuigen de woorden van de burgemeester van veel empathie. Heel zakelijk, met vooral de focus gericht op het herstel van de dijken waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Zeker terecht, maar toch had de burgemeester met enige warme woorden aandacht kunnen besteden aan het leed van de getroffenen van de watersnood. 

En zo het betaamt in een goed werkende democratie, moet er ook ‘gevreigeld’ kunnen worden: “de heer Salden merkt op dat de schade niet zoo groot zou zijn geweest indien er meer was gewerkt geworden op de dijken en wil dat het gat in Kl. Meers bij Bervoets eerst dichten.”
Raadslid Janssen dient hem van repliek en zegt “dat gewerkt is zooveel als mogelijk was, doch het water kwam te zeer ineens en was toen niet meer te keeren, in 1880 ging zulks wel.” Daarin wordt hij bijgevallen door de wethouders Martens en Janssen.
Burgemeester Bruijsters antwoordt daarop dat “men niet de put moet dempen als het kalf verdronken is, maar tijdig te voren met raad en daad moet bijstaan……”
En als Salden bij zijn mening blijft dan geeft hij aan “dat de Raad indertijd een regeling had moeten vaststellen voor persoonlijke diensten voor die buitengewonen omstandigheden, dan had Burgemeester en Wethouders die kunnen uitvoeren.”  

Een klassiek spelletje politiek zwartepieten, waarna de burgemeester in nette bewoordingen een einde maakt aan het ‘gesthegel’. Wel wordt met algemene stemmen (7) besloten om “den toestand ter plaatse in oogenschouw te nemen.”

In het licht van de grote nood moeten er natuurlijk ook wel directe en adequate maatregelen genomen worden. Daarom stelt raadslid Op den Camp voor “dat er thans bij den hoogen waterstand de behoefte is gebleken van een roeiboot en stelt voor een nieuwen degelijken te laten maken. Hij neemt op zich voor fl. 200 een flinken boot te bestellen en vraagt daarvoor de goedkeuring van de vergadering.” De heer Martens zegt dat een boot van 10 meter lang, 1,25 meter breed en 1,10 meter hoog wel geen fl. 200,- zal kosten. De heren Janssen en Alberts vragen bedenktijd, maar in stemming gebracht wordt het voorstel aangenomen met 6 stemmen vóór en 1 tegen, die van Alberts.

Maar er is meer te wensen. Raadslid Salden wijst op “het belang van de veiligheid der ingezetenen van Maasband ingeval hoogen waterstand indien daar een telefoonaansluiting zou zijn en stelt voor onder dezelfden voorwaarden als bij den Burgemeester en Wethouder Janssen een telefoonaansluiting aan te brengen, welke tevens dienstbaar moet wezen aan de ingezetenen.” 

De heer Martens verkondigt dat “in 1920 van rijkswege telefoonaansluitingen is naar vorengebracht. De burgemeester zegt dat de Provincie in 1920 wel den wensch heeft te kennen gegeven dat in Maasband een telefoonaansluiting zou komen, maar de gemeente kon toen evenals thans voor de kosten, zijnde circa fl. 40,- per jaar opkomen. Hij acht echter eene directe draadverbinding met de wethouder in tijden dat zij anders niet zijn te bereiken van belang.”
Martens zegt daarop dat hij zijn telefoonabonnement zelf betaalt en Janssen geeft toestemming om de telefoon bij zich in de kamer te hangen en wil jaarlijks fl. 10,- uit eigen zak betalen. Het voorstel wordt aangenomen met de tegenstem van Martens.

Burgemeester Bruijsters had al een telefoonaansluiting. Daarover ontstond in die raadsvergadering toch enig rumoer. Enigszins gepikeerd geeft hij aan dat “de Raad in meerderheid had ingestemd met de vlugge aansluiting in verband met den watersnood hetgeen de ondervinding reeds heeft bewezen.” Maar, “indien echter de Raad thans nog niet voldoende van het gemeentebelang overtuigd is in zake deze aansluiting zal hij last geven dat de telefoon wordt opgeruimd.”

Daarop riposteert de heer Goossens dat de telefoon voor de burgemeester onmisbaar is, nu hij kantoor aan huis heeft, ook in verband met de aansluiting in Maasband. Daarop zegt de heer Salden dat als Maasband telefoon krijgt de burgemeester de aansluiting moet houden, “mits hoogstens voor fl. 10,- aan gesprekken wordt uitgegeven.”  Bruijsters zegt toe dat hij “meer dan fl. 10,- voor zijn rekening wenscht te nemen.”

Raadslid Salden is daarmee nog niet aan het einde met zijn kritische opmerkingen. De burgemeester had, op voorstel van de Commissaris van de Koningin, een plaatselijk watersnoodcomité in het leven geroepen. Salden mist daarin een vertegenwoordiger van ‘den arbeidersstand’ en vraagt waarom er geen arbeider is benoemd. De burgemeester zegt dat “hij opdracht heeft gekregen om een comité samen te stellen en daarvoor solide ingezetenen heeft gekozen die over vrijen tijd konden beschikken. Als de heer Salden met zijn keuze niet tevreden is, dan kan hij zich wenden tot den Heer Commissaris der Koningin.” En vervolgt, “ik heb in deze op meer zaken te letten dan toezien dat alle standen in het Comité zouden vertegenwoordigd zijn, wil de Heer Commissaris dergelijke benoeming aan den Raad overlaten, mij best, nu is het geschiedt naar mijn eigen innige overtuiging.”

Het genoemde Comité hield zich ook bezig met de verdeling van 20.000 kilo gratis ontvangen steenkool, bestemd voor de ‘watersnoodlijdenden’. Deze steenkool was deels opgeslagen in de kolenkelder van de gemeente. Het Comité oordeelde dat die 20.000 kilo niet ineens aan de noodlijdenden konden worden uitgereikt en bij gebreke van een goede bergplaats zijn circa 3000 kilo in den kolenkelder der gemeente opgeborgen, maar raadslid Op den Camp “wenscht dat die kolen onmiddellijk uit den kelder worden verwijderd.” Dit wordt door de raad afgewezen en stelt vertrouwen in het Comité en laat aan hen over om de kolen naar behoefte op te halen.

Waarin een kleine democratie groot kan zijn!!  

Toch worden in de raadsvergadering van 1 februari nog een tweetal andere belangrijke besluiten genomen. 
Burgemeester Brijsters zegt “dat deze vergadering zoo kort na de vorige is belegd met het oog op de noodzakelijke herstelling der maasdijken. Verder deelt hij mede dat hij van den
Provincialen Waterstaat heeft vernomen dat de Provincie vermoedelijk 1/3 in de kosten zal bijdragen, ongeacht of het werk wordt aanbesteed dan wel in eigen beheer wordt uitgevoerd met toezicht van den Waterstaat.”

Op de vraag van raadslid Alberts of “reeds een kosten berekening is gemaakt van de herstelling der dijken”, zegt de burgemeester dat die globaal zijn geschat op f. 4500,- 
Hij meent, zoals gezegd, te mogen rekenen “op een provinciaal subsidie van 1/3 en stelt voor een leening aan te gaan van f. 3000,- .“
Wethouder Martens vreest dat de uitgaven nog zullen stijgen en daarom thans moeilijk een bedrag kan worden opgenomen. De Voorzitter zegt dat “de kosten van herstelling, aankoop van grond enz. voorloopig uit de gewone inkomsten zouden kunnen worden bestreden, mits deze bij de eindafrekening worden omgezet in eene vaste leening.”

Het voorstel wordt met algemene stemmen aangenomen.

Later dat jaar, in de raadsvergadering van 8 juli 1926, wordt met algemene stemmen besloten tot het “sluiten eenen geldleening groot f. 2500,- , af te lossen in 10 gelijke jaarlijksche termijnen, waarvan de eerste zal verschijnen 31 december 1927.”

En dan kan het werk beginnen. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden zijn verschillende raadsleden van oordeel “dat het werk in eigen beheer in overleg met den Waterstaat solieden zal opgeleverd worden en niet zoo kostbaar zijn dan bij aanbesteding.” Tot het eerste wordt op voorstel van de Heeren op den Camp en Salden besloten met algemene stemmen. 

De Vergadering besluit verder “het werk aan te vangen bij het huis van de Wed. Th. van Didden in Maasband, tot even voorbij de peilschaal, waarvan een gedeelte vermoedelijk op rijkskosten zal gemaakt kunnen worden, waarvoor overleg zal worden gepleegd. De benoodigde leem zal worden aangekocht van familie Van Didden aldaar à f. 0,20 per m3.
Daarna zal de Nieuwedijk worden afgewerkt, voor welk doel een perceel grond zal worden aangekocht van P.L. Brouns, Stein, Steinderweg, dat ter plaatse ligt; tegelijkertijd zou met de
dijken en wegen in Meers een aanvang kunnen worden gemaakt. Het werk zal worden uitgevoerd met behulp van kipwagens en rails, welke voor dat doel door de gemeente Geleen kosteloos voor 3 à 4 weken zijn beschikbaar gesteld.” 
De Heer Op den Camp zegt dat “het laden der kipwagens een zwaar grondwerk is, stelt voor daarvoor menschen te nemen tusschen den leeftijd van 20 en 50 jaar, hen te betalen 35 cent per uur, en om beurten een ploeg te laten werken.” 

De Heer Salden stelt voor alle personen te nemen die zich aanmelden aan te nemen en fatsoenlijk loon te betalen.
Het voorstel Op den Camp wordt met algemeene stemmen aangenomen. Later wordt alsnog op voorstel van den heer Op den Camp besloten voor het werken aan de Maas-
dijken tegen een loon van 35 cent per uur toe te laten personen van 15 t/m 60 jaar.

In aanvulling op deze herstelwerken wordt in de vergadering van Burgemeester en Wethouders van 30 November 1927,  op voorstel van Wethouder Janssen, “na onderling gehouden besprekingen, met algemeene (3) stemmen goedgevonden in het gehucht Maasband bekend te doen maken, dat degenen, die grond willen leveren ten behoeven van het herstel van den dijk, gelegen ten Noorden van voormeld gehucht, daarvan aangifte kunnen doen ter Secretarie, onder opgave van de plaats, waar de grond voorhanden is en tevens van den prijs, waartegen afstand plaats heeft.”

En zo meldt zich Willem Martens jr., die verklaart “bereid te wezen grond te leveren ten behoeve van het herstel van den dijk "Maasdijkweg", tegen den prijs van f. 0,25 per M3, zooals dezelve in diens perceel ter plaatse ‘Steinheuvel’ voorradig is.” 
Een aanbod dat in dank door het college aanvaard wordt.

Met de ogen van nu denken we wat een kleingeestig gedoe in politiek Stein. Delen van het dorp staan onder water, de mensen lijden nood en dan hebben we het over de bouw van een sloep, de opslag van kolen, telefoonaansluitingen, de kosten daarvan en de samenstelling van het watersnoodcomité. We moeten echter bedenken, het is anno 1926. De politiek thans heeft het ook niet over toekomstvisies en laat zich leiden door de waan van de dag. Wel moet gezegd worden dat de gemeente voortvarend aan de slag is gegaan met het herstel van de dijken, prioriteit nummer 1.

Ernest Gorissen, Stichting Erfgoed Stein.

Bronnen:
* (https://www.rijkswaterstaat.nl/nieuws/archief/watersnoodramp-1926-het-verwoestende-water)
* RegioArchief Sittard, Archieven der Gemeente Stein, Toegangsnummer 911, inventarisnummers 7, 8 en 25
* Foto: Archief Heemkunde, Stichting Erfgoed Stein